“Met God die de Andere wordt,
wordt natuur het Andere voor de mens” (Gauchet).
Marcel Gauchet (1946) is historicus, filosoof en hoogleraar aan de École des Hautes Études en Sciences Sociales. In De onttovering van de wereld (Gompel & Svacina Uitgevers, 2022) beschrijft hij de politieke geschiedenis van de religie. Gauchet ontmythologiseert de gedachte dat door de verlichting de religie geen invloed meer heeft op de Staat, de samenleving en onze leefwijze. Het is een proces dat veel eerder is ingezet waarbij de religie zelf God buiten de wereld plaatste. Dus niet een proces tegen de religie, maar een proces vanuit de religie zelf. En daarmee eindigde het ‘levend traject’ van het religieuze in de westerse wereld.
| Voor het eerst gepubliceerd in Boekenkrant (voorheen Bazarow) - 1 maart, 2026 |
De oer religie
Gauchet begint zijn betoog met de beschrijving van de oer religie als het meest systematische, volledige en mens overstijgende systeem. Volgens hem bevatten die tribale geloofssystemen de sleutel tot heel de geschiedenis van de verhouding tussen religie en samenleving. De sociaal-maatschappelijke ordening en zingeving ontvingen de mensen van de vroegere generaties: zoals het ooit gewild was, zetten zij het weer voort. Het primaat ligt daarmee bij het collectieve en niet bij de individuen. Het verleden met haar oppermachtige traditie is een a priori gegeven dat op onweerstaanbare wijze elk heden instrueert als voorouderlijke ‘wet’ - zonder uitzonderingen. De leefwijze komt niet ter discussie. Iedereen is afhankelijk van de sociaal gedeelde traditie waarin alles zich oplost: mens-zijn tot medemens en de verhouding tot de politiek én de natuur. Hoe groter de goden en hoe groter hun macht, hoe meer zij het ontwerp en de orde van de wereld bepalen. En hoe meer sommigen (zoals sjamanen) toegang hebben tot die goden om in te voelen en uit te leggen wat bij de oorsprong de essentie was.
Geen kloof dus tussen de maatschappelijke norm en collectieve handelingspraktijken. Normerende codes worden door o.a. rituelen, dansen en verhalen overgedragen en onderhouden. Door de latere processen van afnemende invloed van de religie en van de toenemende individualisering stellen mensen die tot op de oerbron terug te voeren conformiteit – dit achterwaarts binnentreden in de geschiedenis – wel ter discussie. Met de terugtrekking van de goden uit het aardse wordt het niet eerder bevraagbare bevraagd. Daardoor ontstaat er een scheiding tussen de menselijke wereld en haar geestelijk, normatieve fundament. Gauchet beschrijft drie ingrijpende discontinuïteiten: de vorming van Staten, de buiten wereldse transcendentie en het omvormen van de natuur.
De vorming van Staten
De Staat veroorzaakt een ‘religieuze’ scheiding tussen de met God verbonden soevereine heerser en zijn onderdanen. De machtige heerser beveelt en legt een orde op in naam van God waardoor alles in beweging komt. Want de nadruk komt te liggen op het toekomstige worden; zowel materieel, spiritueel als symbolisch. Op die manier ontwikkelt zich met de Staat ook het imperiale perspectief op de wereldheerschappij via veroveringen. Rituelen, die een belangrijk ordeningsinstrument zijn in handen van de soeverein, bevestigen en versterken zijn macht. Ze maken het gepeupel duidelijk wat goed burgerschap inhoudt. Het is een ontwikkelingsproces dat zich begeeft van een van vroegere generaties ontvangen orde naar een opgelegde orde door de heerser. De aardse hiërarchie is voortaan hét middel om het sociale af te stemmen op de normatieve reden van het bestaan, zoals bepaald door de soeverein. Met die staatsorde ontstaat een breuk in de kosmische eenheid: het hier (de zichtbare wereld) en het elders (de onzichtbare, normatieve wereld) worden twee afzonderlijke entiteiten.
Tijdens de axiale wending (800 tot 200 v. Chr.) ontwikkelen zich nieuwe culturele, spirituele en filosofische levensbeschouwingen: het monotheïsme, het confucianisme en taoïsme, het hindoeïsme, boeddhisme en het Griekse rationalisme. We zien twee belangrijke ontwikkelingen vergeleken met de pre-axiale tijd met hun mythische goden. Ten eerste een fundamentele humanisering en emancipatie van individuen. Het zelfbewuste individu bepaalt en denkt voor zichzelf, neemt de verantwoordelijkheid voor zijn handelen en ontwikkeling. En als tweede het proces van universalisering. Als faustiaanse wereldburger wil het individu nieuwe levenservaringen opdoen. Dus niet alleen leven in lokale gemeenschappen.
De buiten wereldse transcendentie
De vele goden in de pre-axiale religie maken plaats voor één transcendent subject, de God-Schepper. Als hoogste principe is hij buiten zijn schepping maar heeft tegelijk greep op alles wat het aardse betreft. Hij houdt ons in de hand, maar laat tegelijk zijn werk over aan de mensen. Je kunt er mee in gebed treden en je vragen aan hem voorleggen over wat hij gewild zou hebben, dus een dialoog via het eigen innerlijk. Zingeving, niet langer een ‘gift’ van de vroegere voorouders, wordt geleidelijk een gedachte die je innerlijk peilt in gesprek met God. De uitkomst van dat gesprek is een verstandelijk begrijpen dat je je toe-eigent als zijnde Gods woord. In die interne dialoog overstijgt het individu met zijn eigen menselijke rede de almacht en grootsheid van God. Gauchet noemt dit een proces van intellectuele ontvoogding dat geleidelijk overgaat in een politieke ontvoogding. Want God manifesteert zich steeds minder in de hiërarchische aardse verhoudingen.
De soeverein is niet langer de goddelijke heerser op aarde, de levende incarnatie van de band tussen hemel en aarde. Dus niet langer de schakel tussen de zichtbare, wereldse orde en haar onzichtbare, normatieve fundament. Hij wordt juist het symbool van de scheiding tussen die twee werelden. Gauchet concludeert dat door de voltooiing van de goddelijke oneindigheid de mens toegang heeft gekregen tot het meesterschap over zijn eigen lot. De grootheid, de andersheid en het samenvallen van God met zichzelf heeft de vrije, autonome mens voortgebracht en daarmee de kosmische eenheid beëindigt. Het proces begeeft zich steeds meer van macht-van-boven naar een democratische macht-van-beneden. Het is het principe dat een gemeenschap haar ordening in zichzelf draagt. Zodra het soevereine stelsel daar rekening mee houdt - met overwegingen en eisen van ‘beneden’ - ondermijnt zij haar eigen hiërarchische op macht gebaseerde principes. En versterkt zich de democratische logica. De Staat kan niet krampachtig vasthouden aan de gedachte dat de sociale orde vastligt op basis van zijn staatsmacht, terwijl tegelijk de individuele vrijheid zich verder ontwikkelt.
Van het ondergedompeld zijn in de natuur naar het omvormen van de natuur
Voor de axiale wending hadden normatieve codes een eeuwigheidsduur waardoor de natuurlijke gang van zaken niet verstoorde. De verhouding tot de natuur was toen bepaald vanuit het hart van de verhoudingen tussen mensen, stelt Gauchet. De natuur was in het leven toen geen aparte entiteit in het denken en handelen van de mensen. Aan de ene kant was de natuur er voor de mens, aan de andere kant was zij apart; onbewoond en uitwendig, ondanks haar onmiddellijke nabijheid. De afstand die de God-Schepper inneemt in relatie tot zijn schepping leidt ertoe dat mensen de innige band met de natuur verbreken. De mens stelt zich de natuur beschikbaar, als zijn bezit, zonder enige empathische openstelling.
Eigen aan het christendom is de incarnatie. God wordt mens om de kloof tussen hemzelf en de mensen te verkleinen. Zonder deze openbaring zou God onbekend, onuitsprekelijk en onvoorstelbaar blijven. De incarnatie heeft geleid tot felle debatten. Enerzijds de verleiding om de Verlosser te vergoddelijken ten koste van zijn menselijkheid en anderzijds hem te vermenselijken ten koste van zijn goddelijkheid. Gauchet stelt op basis van die debatten: de religie van de incarnatie is fundamenteel een religie van interpretatie. Het is een religie van het opleggen van een geloofsleer én tegelijk autonomie en vrijheid verlenend t.a.v. denken en geweten. Daarmee is het geen collectieve opdracht meer, maar wordt het een individuele zaak.
Dit is om en nabij het moment (bij het terugtrekken van God uit de wereld) dat de natuur niet meer een onaantastbaar gegeven is, en dat mens, natuur en de hele kosmos zich van elkaar loskoppelen. Hier vindt de geboorte plaats van het moderne individualisme. “Met God die de Andere wordt, wordt natuur het Andere voor de mens”, aldus Gauchet. De sociaal-culturele oriëntatie richt zich steeds meer uitsluitend op de maakbare, veranderbare toekomst. Dan kunnen we ons afvragen: wat is dat voor toekomstbeeld en is die toekomstige verbeelding nog wel humaan en ecologisch? Krijgen de burgers met hun democratische invloed iets goddelijks nu de tribale goden verdwenen zijn, de God-Schepper ver weg is en de Staat haar absolute macht heeft verloren? De beantwoording van deze vragen laten we uiteraard graag over aan de lezers van deze recensie.
De wereld onttoverd
Er zijn veel boeiende studies over de axiale wending, de onttovering van de wereld en de secularisatie (o.a. Taylor). Gauchet schreef De Onttovering van de wereld; een politieke geschiedenis van de religie al in 1985 (Le désenchantement du mond ; une historie politique de la religion). Complimenten voor Gompel & Svacina Uitgevers dat zij met een vertaling komen. Professor André Cloots besteedde ongetwijfeld veel maanden aan het inleiden en vertalen. Hij zal geworsteld hebben met de vraag: hoe nauwgezet vasthouden aan de originele tekst of deze hertalen? Dat laatste kan bij wetenschappelijke werken botsen met de intenties en nuances van het origineel. Maar in dit geval mocht het hedendaags Nederlands meer aanwezig zijn (en ook minder Vlaamse woorden). Menig lezer moet zich geregeld door de tekst heen ‘klunen’. Maar het is zeer de moeite waard!
De boeken bij deze recensie:
Taylor, Ch. (2009). Een seculiere tijd. Lemniscaat, Rotterdam.
Frazer, J.G. (1994). De gouden tak; over mythen, magie en religie. Contact, Amsterdam. (Oorspronkelijke Engelse uitgave 1922).
Gauchet, M. (1985). Le désenchantement du monde; une historie politique de la religion. Editions Gallimard, Paris.